|
De komst van de toga. Een historisch onderzoek naar het verdwijnen van mantel en bef en de komst van de toga op de Nederlandse kansels. (Delft 2001) 160 blz, €17.90/ ISBN 90-5166-8570 Dit boek vormt de neerslag van een onderzoek naar de factoren die geleid hebben tot het verdwijnen van de achttiende-eeuwse predikantskleding mantel en bef uit het straatbeeld en van de kansel, en tot het verschijnen van de toga op de kansels van de protestantse kerken in Nederland. Aangetoond werd dat (kerk)politieke, sociale, maatschappelijke en sociaal-psychologische factoren een veel grotere rol hebben gespeeld dan theologische. Daarbij dient men zich te realiseren dat kleedgedrag een uitermate gecompliceerd verschijnsel is. Niet alle motieven zijn bij iedereen aanwijsbaar, en waar bij een en dezelfde persoon verscheidene motieven aanwijsbaar zijn, is het nauwelijks uit te maken welke hem het zwaarste heeft gewogen. Bovendien moet verdisconteerd worden dat motieven vaak een verborgen rol spelen: ze zijn lang niet alle aan de spelers van het spel bekend.
Het ambtsgewaad en de religieuze pluriformiteitMantel en bef vormden sedert het midden van de achttiende eeuw het gewaad waarmee vooral de stadspredikant zich placht te kleden. Het was de kleding van de deftige burgerij, die door de predikanten was overgenomen. Een ambtsgewaad in de theologische zin van het woord was het niet, het gebruik ervan had meer te maken met het verschijnsel standskleding dan met een bepaalde (theologische) ambtsopvatting. Binnen en buiten het kerkgebouw droeg de predikant wat voor zijn stand gewoon was. Ten tijde van de Bataafse Republiek werd het dragen ervan buiten het kerkgebouw verboden. De overheid wilde grote spanningen tussen de verschillende godsdienstige groeperingen voorkomen en trachtte daarom het aantal processies te perken door een verhulde bepaling, die het predikanten en geestelijken verbood zich in kerkelijke kleding buiten het kerkgebouw te vertonen. Mantel en bef werden daarmee op een 'hoger' plan gebracht: van maatsschappelijk standsgewaad tot een exclusief kerkelijk gewaad. Met dit overheidsbeleid werd een eeuwenlange continuïteit ten aanzien van de religieuze pluriformiteit zichtbaar, die tot ver in de negentiende eeuw zou voortduren. Pas met het opheffen van het processieverbod in 1983 kwam aan dit beleid een einde. Dit overheidsmaatregelen gaven een forse aanzet tot de eerste 'liturgische' bezinning op het gebruik van de toga in vooruitstrevende kerkelijke kringen rond 1798. Men maakte zich zorgen over de afnemende belangstelling voor kerk en godsdienst, en bezon zich op mogelijkheden de kerkdiensten aantrekkelijker te maken. Het invoeren van de toga lag voor de hand: de Waalse predikanten hier te lande droegen die al meer dan een eeuw. Het accent hierbij lag vooral op de toga als redenaarsmantel. Ambtstheologische of hoogliturgische overwegingen speelden geen rol. Vanaf 1801 was het gebruik van mantel en bef weer geheel vrij. Wel werd daarmee het verschil tussen de predikant en de andere burgers sterker dan voorheen zichtbaar, daar het gebruik van de kuitbroek inmiddels vervangen was door het gebruik van de pantalon, en de steek door de ronde hoed. Met andere woorden: niet alleen in de sobere kleuren bestond er nu een verschil tussen de predikant en zijn standsgenoten, maar ook in de vormgeving van de kleding. Dit verschil zou groter worden naarmate de tijd vorderde en uiteindelijk ook renteniers en ambtenaren de kuitbroek en gespschoenen voorgoed in de kast opborgen. Met het voortschrijden van de jaren nam het verschil tussen de predikantskleding en andere kleding toe. Daarmee kwamen de predikanten ook bloot te staan aan toenemende spot. Een predikant die voor vol wilde worden aangezien, moest wat aan zijn uiterlijk doen. Vanuit dit perspectief wordt begrijpelijk dat zich rond 1820 de eerste aarzelingen rond het gebruik van mantel en bef manifesteerden. Toch kwam het er niet van dit gewaad af te schaffen. De werkelijke vernieuwing van het kleedgedrag, waarbij het accent in het gebruik van de kleding verschoof van het beroep of de stand waartoe men behoorde naar een meer individuele expressie, moest nog op gang komen. De tijd was er nog niet rijp voor. ok het streven van de overheid, die in 1817 met zachte hand poogde haar dienaren in de kerk over te halen tot het gebruik van de toga, en daarmee tot afschaffing van mantel en bef, liep op niets uit. Rooms-katholieken werden in deze tijd getroffen door beperkende bepalingen met betrekking tot de processies. Overigens moet bij de lutheranen de situatie in Duitsland in het oog worden gehouden, waar de toga reeds in 1811 was voorgeschreven. Het ambtsgewaad als getuige van theologische liggingMantel en bef verloren in het derde en vierde decennium van de negentiende eeuw steeds meer terrein. Een belangrijke factor daarbij is de komst van een geheel andere en anders samengestelde groep van predikanten geweest: de afgescheiden predikanten. Velen van hen verlangden terug naar de kerk van de Republiek. Ze hielden dan ook vast aan de daarbij behorende kleding. Anderen kozen welbewust voor een vrije kerk, en hadden daaraan geen behoefte. In deze kring speelde bovendien de vraag naar de ambtstheologie een belangrijke rol. In een kring waar men zich bij voorkeur op de Reformatoren wenste te oriënteren, kon bezinning op onderscheiden kleding voor de predikanten immers niet uitblijven. Het gebruik van mantel en bef door de afgescheiden predikanten leidde er toe dat het ambtsgewaad onder hervormde predikanten terrein begon te verliezen. Het was niet alleen de kleding van de aansprekers, maar ook van een groep predikanten die qua sociale herkomst van een ander niveau was dan de hervormde predikanten. Het afleggen van mantel en bef door vele hervormde predikanten had dus te maken met hun standsbesef. De steek bleef nog het langste in gebruik als onderscheidend kenmerk van de predikanten. Statusverlies voor de predikanten en de roep om een togaDe plaats van de predikant in de samenleving werd vanaf de jaren veertig van de negentiende eeuw steeds minder vanzelfsprekend. Na 1840 werd zichtbaar dat staat en kerk meer en meer gescheiden wegen gingen. Niet meer gesteund door een vanzelfsprekende koninklijke autoriteit, werd gezocht naar andere distinctieve tekenen dan het langzamerhand wel erg ouderwets aandoende predikantskostuum van de Republiek. De roep om de toga begon in de jaren veertig steeds luider te klinken. Die roep had mede te maken met de wens van de predikanten hun status tot uitdrukking te brengen in een passend gewaad. Bij de lutheranen speelden behalve deze aspecten ook een grote liturgische belangstelling een rol, en het kleedgedrag van hun Duitse collegae. Zij gingen in 1843 als eersten over tot de aanbeveling van de toga, in 1844 gevolgd door de remonstranten. Een andere factor in dit verband is de toenemende professionalisering van het predikantencorps geweest. Met deze professionalisering gaven de predikanten een antwoord op de veranderingen in de samenleving, resulterend in een sterke nadruk op hun academische scholing. Predikant-zijn werd een vak, hetgeen onder meer zichtbaar werd in de verschijning van een nieuw soort handboek en een toename van het aantal gepromoveerde predikanten. De toga benadrukte deze academische vorming van de predikant door hem te kleden met wat al eeuwenlang het academisch gewaad bij uitstek was geweest. Daarbij kwam dat als gevolg van de veranderende maatschappelijke verhoudingen de verhouding tussen predikant en gemeente veranderde. Voor het eerst ontwikkelde zich, wellicht in reactie daarop, iets van een hoogkerkelijk ambtsbesef, met name onder de Groninger theologen. Zij waren dan ook de grote voorstanders van een aanbeveling van de toga. Vanuit deze invalshoek bezien, is de toga een ambtsgewaad. De toga overwintOndanks het feit dat in eigen kring de roep om de toga steeds luider klonk, kon de hervormde synode in 1851 nog niet tot een aanbeveling komen. Die kwam pas in 1854, nadat de April-beweging een Wet op de kerkgenootschappen noodzakelijk had gemaakt om op te kunnen treden tegen al te uitbundige uitingen van rooms-katholiek godsdienstig leven. In die wet werd, evenals in 1796, een verbod op het dragen van ambtsgewaden buiten het kerkgebouw opgenomen. Mantel en bef, voor zover nog in gebruik, verdwenen uit het straatbeeld. Nu stond ook voor de hervormde synode de deur naar een aanbeveling van de toga wagenwijd open. Theologische argumenten speelden in dit alles een ondergeschikte rol. Alleen de tegenstanders van de toga hebben zich daarop expliciet beroepen: onderscheiden kleding voor de voorganger was in strijd met de protestantse ambtsopvatting. Voorstanders van de toga hadden daar wellicht geen moeite mee, maar hebben nooit expliciet de ambtstheologie aangevoerd als argument. Ook in de kring der afgescheidenen verloren mantel en bef gaandeweg aan populariteit. Bij hen kwam het echter niet tot een aanbeveling van de toga, omdat de ambtsopvatting dat in de weg stond. Toen Kuyper zich bovendien tegen het gebruik van de toga keerde, waren de kaarten geschud. Hervormde predikanten droegen over het algemeen een toga, gereformeerde niet. Dit is tot na de Tweede Wereldoorlog zo gebleven. SlotwoordDe vraag is wat de predikanten op straat droegen toen zij mantel en bef hadden afgelegd. Fidelio merkt in zijn reeds meermalen geciteerde artikel op, dat de predikant op zijn minst één mode achter liep, en daardoor toch herkenbaar was. Interessant is ook hetgeen Bronsveld schrijft in zijn boekje Voor vijftig jaren (1913). Daaruit blijkt dat er nooit een predikant gezien werd zonder een witte das, een stevige brede, met een flinke knoop onder de kin, een hoge hoed, en, voor het overige stemmige kleding. Ook na het afleggen van mantel, bef, steekhoed en kuitbroek hielden de predikanten, aldus Bronsveld, iets dat hen verried: 'Een protestantsch charakter indelebilis'.
|