Zoeken

Cornelis Aalders. Een biografische schets PDF Afdrukken E-mailadres

 

M.J. Aalders, in: Biografisch Lexicon voor de geschiedenis van het Nederlandse Protestantisme, dl VI

Aalders, Cornelis, * ’s-Gravenmoer 14-01-1908, + Voorburg 30 juni 1999. Zoon van ds. J.C. Aalders, predikant, en A.Ingwersen. Stud. theologie Utrecht 1933, drs. theologie Utrecht 1967 (cum laude), dr h.c. Utrecht 1976, hulpprediker Wijk aan Zee en Duin 1936-1937, herv. predikant te Oudega (1937), Wommels (1941), Voorburg (1945) en ’s Gravenhage (1948, predikant voor bijzonder kerkenwerk), 1963 whm Utrecht (pastorale psychologie), emeritus 1974, R.O.N.

Nadat Aalders aanvankelijk medicijnen studeerde stapte hij over naar rechten, om pas daarna theologie te gaan studeren. Tijdens zijn studie heeft vooral Berkelbach van den Sprenkel invloed op hem uitgeoefend. Deze zette hem ook aan tot het schrijven van zijn eerste boek, Lot en illusie (1939). Daarin komt A. tot een voor die tijd opvallende taxatie van geestelijke stromingen en sekten. Deze zijn voor hem uitingen van het menselijk streven het lot meester te worden. Zij spelen daarbij intuïtief in op wat bij mensen leeft, en krijgen hun kans wanneer de officiële godsdienst daarin faalt. Christelijke groepen ontstaan als reactie op kerk en kerkelijk leven. Daarmee worden deze groepen getypeerd als een legitieme uiting geloof, hoop en liefde, zoals gewekt door de Heilige Geest. Dit boek is daarom opmerkelijk, omdat A. daarin aandacht vraagt voor de diepere achtergrond van het ontstaan van allerlei bewegingen. Zo krijgt hij zicht op het tekort van kerk en kerkelijk leven en op de bijdragen die allerlei bewegingen kunnen leveren aan de kerk. In de tijd van verschijning was deze benadering uniek. Deze eersteling bevat allerlei thema’s die in het latere oeuvre van A. een belangrijke plaats zullen innemen. Het boek getuigt allereerst van zijn grote behoefte de mensen te verstaan, en niet zozeer hun ideeën te analyseren. Tevens blijkt, in samenhang daarmee, zijn kennis van de psychologie, onder meer die van Jung. Tenslotte vinden we hier allerlei blijken van zijn openheid voor de oosterse religies en voor de mystiek. Zelf was hij zeer onder de indruk van Krishnamurti, die hij in die tijd enkele malen gehoord heeft. In zijn boek Een tempel van den Geest (1940) gaat A. in op een door hem geconstateerde verheerlijking van de lichamelijkheid. Deze acht hij een reactie op het puriteinse karakter van onze cultuur, gevoed door de Romantiek. Maar ten diepste licht de oorzaak hiervan in de trichotomie van lichaam, ziel en geest zoals die door de kerk uit het Griekse denken is overgenomen. Tegenover dit Griekse denken stelt A. het bijbelse denken, dat van een verzelfstandiging van de ziel t.o.v. het lichaam niet wil weten. Ditzelfde geldt van de geest, die A. overigens als een religieuze, geen psychologische macht wil zien. Als gevolg van de zondeval echter richtte die geest zich uitsluitend op de zelfverwerkelijking van het individu, het werd een zelfstandige grootheid, los van zijn oorsprong. Daarin ligt de religieuze oorsprong van de verering der lichamelijkheid. Ter genezing wijst A. op de wedergeboorte, waardoor ons lichaam weer een tempel van Gods Geest wordt.

In 1941 nam A. een beroep aan naar Wommels. Zijn aandacht ging uit naar gemeente-opbouw, en als voorzitter van de classis Franeker heeft hij daaraan een belangrijke bijdrage geleverd. In 1948 werkte hij mee aan aan Altijd zondag, een boek over de Heidelbergsche catechismus. In datzelfde jaar werd hij benoemd als predikant voor bijzondere werkzaamheden  te ’s Gravenhage. Deze taak werd door hem ingevuld als pastoraat aan intellectuelen die van de kerk vervreemd waren geraakt. Vanaf die tijd hebben zijn publicaties een pastoraal-psychologisch karakter. Veertien jaar (1949-1963) redigeerde hij het blad Disciplina. Maandschrift gewijd aan vragen van het persoonlijk geestelijk leven. Tweemaal werd een aantal artikelen daaruit gebundeld: Bedreiging van het menselijk geluk (1954) en Het Onze Vader (1957). Voor velen werd A. de mystagoog, die hen weer in contact bracht met God.

1963 werd hij tot wetenschappelijk hoofdmedewerker benoemd aan de theologische faculteit te Utrecht met het oog op de pastorale vorming van predikanten (de zgn Pastoraal Psychogische Leergangen). Samen met H. Faber, Zijlstra en W. Berger stond hij aan het begin van de opbloei der praktische psychologie. Hij werd medeoprichter en medewerker van  Tijdschrift voor pastorale theologie (1969-1973) en Praktische Theologie. Nederlands Tijdschrift voor Pastorale Wetenschappen (1974).  Centraal in zijn oeuvre staat de vraag naar de mens in de moderne empirisch ingestelde technische cultuur. Hij meent dat deze context leidt tot een verenging van het menselijk bewustzijn en een verschraling van de intermenselijke contacten. Hij bepleit een ‘luisterend’ leven, een leven waarin de mens luisterend leert omgaan met zichzelf, met de ander, en met de ons omgevende werkelijkheid. Overigens is alle culturele zorg om de mens slechts een praeparatio evangelica. In Jezus Christus wordt het geheim van de mens geopenbaard. Daarbij speelt de kerk, vooral in de gestalte van de pastor, een bemiddelende rol. De publicaties van A. bestaan overigens voor het grootste deel uit gelegenheidsgeschriften, opkomend uit de (pastorale) praktijk, hij was bij uitstek een praktisch theoloog.  In deze jaren wordt tevens zijn verbondenheid met de mystiek steeds duidelijker zichtbaar. Dit leidde tot de publicatie van zijn boek Spiritualiteit. Geestelijk leven vroeger en nu (Den Haag 1969). Deze betrokkenheid op de individuele mens ging gepaard met een grote maatschappelijke betrokkenheid, die onder meer tot uitdrukking kwam in de talloze bestuursfuncties die A. in zijn leven heeft bekleed.

 

Publicaties: zie tot 1975 zie J.Visser, ‘Aalders: de pastoraal theoloog’, in: Praktische theologie. Nederlands tijdschrift voor pastorale wetenschappen 2 (1975) 306-322, aldaar 320-322.

Lit. J.Visser, ‘Aalders: de pastoraal theoloog’, in: Praktische theologie. Nederlands tijdschrift voor pastorale wetenschappen 2 (1975) 306-322; G. Puchinger, ‘Gesprek met C. Aalders uit Utrecht’, in: Praktische theologie. Nederlands tijdschrift voor pastorale wetenschappen 2 (1975) 291-305; ‘Ontmoetingen met ds C. Aalders’, in: Praktische theologie. Nederlands tijdschrift voor pastorale wetenschappen 2 (1975) 339-344; J.van Belle, ‘Gesprek met dr C. Aalders’ (Hilversum 1976 = Zienswijze 18 april 1976)

 

 

T